Het laatste gesprek
De vrouw spreekt op rustige toon, met zorgvuldig uitgekozen woorden. Een dunne, krakerige maar toch warme stem. Ik vermoed dat ze ergens in de zeventig is. Ik neem nog snel een slok water, zet het glas terug op mijn bureau en vraag door het microfoontje van mijn headset waar ik bij kan helpen. De vrouw valt direct met de deur in huis en vertelt dat ze nog een paar dagen heeft te leven. Ze weet precies waar en wanneer ze gaat sterven: bij haar thuis, donderdag om vier uur ‘s middags. De dokter heeft gezegd dat hij langskomt. Op de fiets. Aan zijn stuur een lederen tas vol injectienaalden en middelen die haar langzaam en pijnloos in slaap zullen wiegen. Ze zal het invallen van de avond niet meer meemaken.
Korte scene: hittegolf
Ik ben op station Utrecht Centraal. Mijn tred is langzamer dan anders, alsof ik me door een kleverige substantie begeef. Vanuit een strook schaduw langs de winkeltjes, word ik ingehaald door mensen in dunne kleding met zomerse motieven. Het dragen van laagjes lijkt het advies. Dan ineens hoor ik, ter hoogte van Burgerking, de ringtoon van mijn telefoon afgaan. Ik graai het toestel uit mijn broekzak en zie op het display de naam ‘Michiel’ knipperen. Een vriend uit Groningen. Ik druk snel het warme plastic tegen mijn oorschelp.
Rituelen
Ik kijk graag naar de Olympische Spelen en moet eerlijk bekennen: het maakt mij niet zoveel uit of de sporters een badmuts op het hoofd dragen, dat ze op een fiets zitten of hoog in de ringen hangen. De sport kan me gestolen worden. Veel spannender vind ik de rituelen voorafgaand aan de wedstrijd. Sprinter Usain Bolt die, als een soort van mime-spelende Power Ranger in korte broek, een bliksemschicht staat uit te beelden, omdat hij toevallig honderd meter in minder dan tien seconden kan hardlopen. Een beetje Hazewindhond of Antilope lacht om die aanstellerigheid.
Slapende zeehond
Ik lees zojuist het volgende bericht op internet: ‘Australische vrouw treft slapende zeehond aan op openbaar toilet van begraafplaats.’ In het artikel ligt de nadruk vooral op het mysterie hoe de zeehond in de toiletten terecht is gekomen. Dat vind ik een gemiste kans. Ik ben meer geïnteresseerd in de schrik en verbazing, kort na ontdekking van het dier. Het kan bijna niet anders of het aanwezige uitvaartpersoneel moet met ongeloof op de gezichten hebben gereageerd ‘Kalm aan mevrouw, gaat u daar maar even zitten. Ja daar in het hoekje, waar andere gasten u niet kunnen zien.’ Vervolgens een blik van medelijden en sussende woorden op fluisterende toon ‘Het is ook allemaal niet niks, een dierbaar persoon verliezen.’
Een leven in beweging
‘Meneer Van Driel, kijk eens, ik heb een sigaret voor u.’ De woorden van de kale man tegenover mij kaatsen door de wagon, als op hol geslagen stuiterballen, en nestelen zich daarna in mijn oor. Met enige terughoudendheid pak ik de brandende sigaret, schuif het raam naar beneden en kijk naar buiten. Schapen met glazige ogen razen voorbij. ‘De trein is eigenlijk best wel een handig vervoersmiddel,’ hoor ik mezelf ineens zeggen. Ik neem een diepe teug van de sigaret en blaas langzaam uit. Kringen rook stijgen op. De kale man kijkt me zwijgend aan, ik vervolg. ‘Ik bedoel, heb jij wel eens een trein zien staan bij de pomp van een tankstation? Of een machinist bij een ANWB praatpaal, terwijl de conducteur een gevarendriehoek op de weg plaatst?’
Niets is voor eeuwig
Ik duw het stalen hekwerk van de poort open en betreed een smal grindpad. Door de bladeren van een hoge eikenboom vallen links en rechts zonnestralen op grijskleurige graven. Ik kijk naar een steen in de vorm van een kruis en lees de ingegraveerde tekst: ‘Hier rust onze echtgenoot en vader Jan’ Een rilling loopt over mijn rug. Waarom is het toch zo vreemd om hier te zijn? In de grond onder mijn schoenen rusten tientallen, misschien wel honderden mensen. Er was een tijd dat zij nog leefden, werden bevangen door ambitie, verlangens en wilde dromen. Ik denk aan hoe ze ooit in de duinen hebben gezeten, fluisterend tegen hun geliefde: ‘Kijk nou eens naar al dat klotsende water. Wat zijn we toch eigenlijk nietig he?’ 
Eenzaamheid
In de duisternis staan tweehonderdvierentachtig dennenbomen die doorbuigen onder het gewicht van een dikke laag sneeuw. Mijn enige gezelschap is deze blokhut aan de oevers van een dichtgevroren meer. Vraag me niet hoe lang ik hier al woon, de tijd is zoals een vriendelijke oude hond; het ene moment ligt hij kwispelend aan je voeten, en opeens merk je dat hij is verdwenen. Het eerstvolgende dorp ligt op zestig kilometer afstand. Ik heb een keer het aantal voetstappen in de sneeuw geteld; het waren er 80.126, op de kop af. Soms denk ik aan mijn vader, zou hij hier gelukkig zijn? De eindeloze rust zou hem vast niet aanstaan. Hij houdt van discussies, toneel en gezelschap. Ik walg ervan.